Klederdracht

Wieringer Kleding.
Uit historisch oogpunt dient de kleding van zowel dames als heren aan bepaalde normen te voldoen. Daarom geven wij als richtlijn een basis beschrijving van onze kostuums.
Dameskostuum:
Wij dragen de kleding die rond het jaar 1900 op Wieringen gedragen werd. Als eerste hebben we te maken met drie onderrokken en een pijpjesbroek.
De 1e onderrok is wit en afgewerkt met broderiekant.
De 2e onderrok is wit of een lichte bloemetjeskatoen met kant.
De 3e onderrok, dus de bovenste rok, kan van gestreept of bloemetjesstof worden gemaakt (geen harde of moderne kleuren).
De pijpjesbroek, deze is van witte katoen, de pijpjes afgewerkt met broderiekant.
De diezek, op de bovenste onderrok kan een diezek gedragen worden, dit is een klein katoenen zakje met een band die over de taille sluit. Hier kun je een zakdoek, geld, etc. opbergen.
Schoenen en kousen, men draagt zwarte ( meestal ) kniekousjes, geen dunne nylons, en zwarte, met een klein hakje, ouderwets lijkende schoenen die vooral goed moeten zitten. We moeten tijdens een optreden lang staan.
Kostuum, vroeger waren de stoffen voor een kostuum meestal geweven van wol, natuurzijde of katoen. Tegenwoordig is het best moeilijk om een gepaste stof te vinden, maar als je goed oplet wat je koopt lukt het meestal wel, let er vooral op dat de stof niet teveel kreukt. Het jakje is sterk getailleerd en valt aan de zijkant 7 a 8 cm over de rok en loopt middenvoor en achter iets langer uit in een punt of ronding. Let vooral op dat het halsboordje goed sluit, anders valt de ketting er niet mooi omheen. De mouwen zijn ruim of licht poffend, en worden geplooid of gerimpeld ingezet. Ze lopen naar de pols strak toe met onderaan de pols een splitje dat gesloten wordt met drukknopen of haakjes.
De rok, bij het Wieringer kostuum kan een banen op rimpelrok gedragen worden, het voorstuk van de rok is altijd glad. De onderkant van de rok wordt afgewerkt met bezemband ter bescherming tegen vuil en slijtage.
Als het koud is kan men een omslagdoek of pelleriene dragen.
Belangrijk om te weten is dat de Wieringers donker gekleed gingen, bv. zwart, donkerblauw of in een andere donkere kleur.
De vrouwen hebben kap en dek op, gouden oorijzers, en fraaie kapspelden. Het goeie goede werd gedragen op zon en feestdagen. Bij de kapwordt soms een voorhoofdstiftje (Ferronniere) of voorhoofdsnaald gedragen. De kanten muts is van Beverense kant gekantklost. Iedere plooi is een bloemmotief. Fraaie bloedkoralen of granaten kettingen werden gedragen. Prachtige beugels met gebreide kralentassen completeren het geheel.
Herenkostuum:
De broek, het vest en slipjas zijn van een zwarte stof, de heren dragen een klapbroek, het vest met een rij knopen valt een stukje over de broek. De jas is een slipjas, de slippen van de jas vallen ovaal naar achteren, de slippen reiken tot de knieholte en de slippen worden in de taille door een naad onderbroken.
In de slippen van de jas zitten nog extra zakken, en de broek is met een klep. De gulp kwam pas later in de mode.
De das, de das is van zwarte ribzijde. Het is een korte das van +\- 17 cm lang, die voorgestrikt is. Er zitten twee bandjes aan van dezelfde stof, daarmee wordt de das van achteren om de hals gesloten. Velen hebben er een dasspeld op. Aan de dasspeld zag je vaak het beroep van de man. De visserman had een schuitje, de boer een paardenhoofd of hoefijzer
Overhemd, de heren dragen een wit glad smokingoverhemd.
Schoenen en sokken, zwarte veterschoenen met leren zolen en natuurlijk ook zwarte sokken.
Een gleufhoed maakt het geheel compleet.